Fiscaliteit
Auteursrechten kunnen vandaag fiscaal voordelig worden vergoed: onder bepaalde voorwaarden worden ze niet belast als beroepsinkomen, maar als roerend inkomen aan 15% roerende voorheffing en kan je bovendien een forfaitaire kostenaftrek toepassen. Vanaf inkomstenjaar 2026 verandert dat laatste voor wie geen gewoon kunstwerkattest of kunstwerkattest plus heeft. Het fiscale regime voor auteursrechten verdwijnt dus niet, maar het wordt in veel gevallen minder voordelig. Vooral wie auteursrechten ontvangt zonder kunstwerkattest, doet er goed aan om na te gaan wat de impact is.
Als je een origineel werk maakt, kan je de rechten op dat werk overdragen of in licentie geven. Denk aan teksten, foto’s, illustraties, muziek, audiovisuele werken, grafische ontwerpen of softwarecode. De vergoeding die je daarvoor ontvangt, kan onder voorwaarden worden behandeld als inkomsten uit auteursrechten.
Vandaag zijn auteursrechten fiscaal interessant om drie redenen:
ze worden in principe belast aan 15% roerende voorheffing;
er geldt een forfaitaire kostenaftrek, waardoor niet het volledige bedrag belast wordt;
de vergoeding wordt niet belast als beroepsinkomen, zolang je binnen de wettelijke grenzen blijft.
Voor inkomstenjaar 2026 geldt een geïndexeerd plafond van 77.220 euro bruto. Tot dat bedrag kunnen auteursrechten onder voorwaarden als roerende inkomsten worden behandeld. Alles daarboven wordt in principe belast als beroepsinkomen.
Daarnaast geldt ook de 30/70-regel. Worden auteursrechten samen met prestaties vergoed, dan mag de auteursrechtenvergoeding in principe niet meer bedragen dan 30% van de totale vergoeding. Minstens 70% moet dus betrekking hebben op de geleverde prestaties.
De belangrijkste wijziging gaat over de forfaitaire kostenaftrek.
Tot en met inkomstenjaar 2025 kan je die forfaitaire kostenaftrek toepassen als je auteursrechten ontvangt en aan de voorwaarden van het auteursrechtenregime voldoet. Je moet dan niet voor elke kost afzonderlijk bewijzen welke uitgaven je hebt gedaan.
Vanaf inkomstenjaar 2026 wordt dat anders. De forfaitaire kostenaftrek kan dan enkel nog worden toegepast als je op het moment van de betaling of toekenning beschikt over een gewoon kunstwerkattest of een kunstwerkattest plus.
Heb je geen gewoon kunstwerkattest of kunstwerkattest plus? Dan kan je nog altijd auteursrechten ontvangen, maar je verliest in principe het recht op de forfaitaire kostenaftrek. Je kan dan alleen nog werkelijke kosten aftrekken, op voorwaarde dat je die ook effectief kan bewijzen.
Het verschil zit in de effectieve belastingdruk.
Vandaag verlaagt de forfaitaire kostenaftrek de belastbare basis. Je wordt dus niet belast op het volledige bedrag van je auteursrechten. Vanaf 2026 valt dat voordeel weg voor wie geen kunstwerkattest heeft.
Een eenvoudig voorbeeld: ontvang je auteursrechten zonder kunstwerkattest, dan kan de vergoeding nog altijd onder het roerend regime vallen. Maar als je geen werkelijke kosten kan aantonen, wordt het volledige bedrag belast aan 15% roerende voorheffing. Daardoor betaal je meer belasting dan wanneer je wel nog recht had op de forfaitaire kostenaftrek.
Het regime blijft dus bestaan, maar wordt minder voordelig voor wie geen attest heeft.
Een kunstwerkattest is een officiële erkenning van een professionele artistieke praktijk. Het wordt toegekend door de Kunstwerkcommissie en is bedoeld voor natuurlijke personen die professioneel actief zijn binnen de kunsten.
Voor de forfaitaire kostenaftrek bij auteursrechten gaat het om het gewone kunstwerkattest of het kunstwerkattest plus. Een startersattest lijkt hiervoor niet te volstaan.
Belangrijk: een kunstwerkattest is geen algemene fiscale vrijgeleide. Het attest moet verband houden met de activiteit waaruit de auteursrechten voortkomen. Heb je bijvoorbeeld een attest voor een bepaalde artistieke praktijk, dan kan je dat niet zomaar gebruiken voor totaal andere activiteiten.
De wijziging is vooral belangrijk voor wie auteursrechten ontvangt, maar geen kunstwerkattest heeft of er wellicht niet voor in aanmerking komt.
Denk bijvoorbeeld aan:
copywriters;
designers;
marketeers;
fotografen;
journalisten;
consultants;
sprekers;
andere professionals die auteursrechtelijk beschermde werken maken.
Niet elke creatieve of intellectuele activiteit geeft automatisch recht op een kunstwerkattest. Een werk kan auteursrechtelijk beschermd zijn, terwijl de maker toch niet binnen het toepassingsgebied van het kunstwerkattest valt.
Net daar zit het verschil: het auteursrechtenregime en het kunstwerkattest zijn twee aparte zaken. Je kan dus auteursrechtelijk beschermde werken maken zonder dat je recht hebt op een kunstwerkattest.
Heb je geen gewoon kunstwerkattest of kunstwerkattest plus, dan verandert er vooral dit: je kan auteursrechten nog altijd fiscaal als roerende inkomsten laten behandelen, als je aan de voorwaarden voldoet, maar je kan in principe geen forfaitaire kosten meer aftrekken. Daardoor wordt de belastbare basis groter.
Wil je toch kosten aftrekken, dan moet je werkelijke kosten kunnen bewijzen. Dat vraagt meer administratie. Denk aan facturen, betalingsbewijzen of andere documenten die aantonen dat de kosten rechtstreeks verband houden met de creatie, exploitatie of overdracht van je werk.
In de praktijk zal dat niet altijd eenvoudig zijn. Veel auteurs of zelfstandigen hebben geen duidelijke projectgebonden kosten of kunnen die moeilijk afzonderlijk aantonen. Daardoor kan het fiscale voordeel kleiner worden dan vroeger.
Ook werkgevers en vennootschappen die auteursrechten betalen aan werknemers, bedrijfsleiders of zelfstandige medewerkers moeten hun regeling opnieuw bekijken.
Een auteursrechtenvergoeding kan niet zomaar worden gebruikt als algemene loonoptimalisatie. Er moet effectief sprake zijn van auteursrechtelijk beschermde werken en van een correcte overdracht of licentie van rechten.
Daarnaast blijft de 30/70-regel belangrijk. Als auteursrechten samen met prestaties worden vergoed, mag de auteursrechtenvergoeding in principe niet meer bedragen dan 30% van de totale vergoeding. Het gewone loon of de prestatievergoeding moet bovendien marktconform blijven.
Voor werknemers kan er onder voorwaarden ook een vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen gelden op auteursrechtenvergoedingen. Maar ook daar geldt een grens van 30% van het totale loonpakket. Volgens VLAIO geldt die RSZ-vrijstelling momenteel niet voor de IT-sector.
Ontvang of betaal je auteursrechten? Dan is het aangewezen om je regeling vóór 2026 opnieuw te laten bekijken.
Daarbij zijn vooral deze vragen belangrijk:
Val je nog onder het fiscale regime voor auteursrechten?
Kom je in aanmerking voor een gewoon kunstwerkattest of kunstwerkattest plus?
Is je auteursrechtenvergoeding correct berekend?
Blijf je binnen het plafond van 77.220 euro bruto?
Respecteer je de 30/70-regel?
Kan je werkelijke kosten bewijzen als je geen kunstwerkattest hebt?
Zijn je contracten, facturen en bewijsstukken voldoende duidelijk?
Nee. Het regime blijft bestaan. Maar vanaf inkomstenjaar 2026 kan je de forfaitaire kostenaftrek in principe alleen nog toepassen als je een gewoon kunstwerkattest of kunstwerkattest plus hebt.
Ja. Een kunstwerkattest is geen algemene voorwaarde om auteursrechten te ontvangen. Maar zonder attest verlies je in principe het recht op de forfaitaire kostenaftrek.
Zonder kunstwerkattest kan je geen forfaitaire kosten meer aftrekken. Je kan alleen nog werkelijke kosten aftrekken, als je die ook kan bewijzen.
Ja, onder bepaalde voorwaarden kunnen auteursrechten nog altijd worden belast als roerende inkomsten aan 15% roerende voorheffing. Zonder forfaitaire kostenaftrek ligt de effectieve belastingdruk wel hoger.
Dat is een kostenforfait waardoor niet je volledige auteursrechtenvergoeding belast wordt. Je moet die kosten dan niet afzonderlijk bewijzen. Vanaf 2026 is dat voordeel in principe voorbehouden voor wie een gewoon kunstwerkattest of kunstwerkattest plus heeft.
Een kunstwerkattest is een officiële erkenning van een professionele artistieke praktijk. Het wordt toegekend door de Kunstwerkcommissie en is bedoeld voor natuurlijke personen die professioneel actief zijn binnen de kunsten.
Voor de forfaitaire kostenaftrek lijkt een startersattest niet te volstaan. Het gaat om het gewone kunstwerkattest of het kunstwerkattest plus.
Voor inkomstenjaar 2026 geldt een geïndexeerd bruto plafond van 77.220 euro. Tot dat bedrag kunnen auteursrechten onder voorwaarden als roerende inkomsten worden behandeld. Het deel boven die grens wordt in principe beroepsinkomen.
Als auteursrechten samen met prestaties worden vergoed, mag de auteursrechtenvergoeding in principe niet meer bedragen dan 30% van de totale vergoeding. Minstens 70% moet dus betrekking hebben op de prestaties.
Ja. Door de wijziging vanaf 2026 kan een bestaande regeling fiscaal minder interessant worden. Zeker als je geen kunstwerkattest hebt, is het belangrijk om na te gaan of je werkelijke kosten kan bewijzen en of je vergoeding correct onderbouwd is.
Meer weten over onze diensten?
We helpen je graag verder.
Schrijf je in op onze nieuwsbrief