Fiscaliteit
Steeds meer ondernemers bekijken hoe ze hun inkomsten fiscaal slimmer kunnen structureren. Eén techniek die daarbij regelmatig opduikt is het verhuren van een handelsfonds aan de eigen vennootschap. Denk aan een winkel, klantenbestand, handelsnaam of voorraad die je privé aanhoudt en tegen vergoeding laat gebruiken door je vennootschap. Hoewel deze aanpak perfect legaal kan zijn, beschouwt de fiscus ze vaak met wantrouwen en probeert hij zulke inkomsten te herkwalificeren naar zwaarder belaste beroepsinkomsten. Een recente uitspraak van het Hof van Beroep in Antwerpen (3 maart 2026) brengt daar opnieuw nuance in en is bijzonder relevant voor ondernemers die met deze structuur werken of ze overwegen.
Een handelsfonds bestaat uit alle middelen die nodig zijn om een onderneming te runnen. Dat omvat zowel tastbare elementen, zoals inrichting en voorraad, als minder zichtbare componenten zoals cliënteel, goodwill en handelsnaam.
In plaats van deze activa in hun vennootschap onder te brengen, kiezen sommige ondernemers ervoor om ze privé te houden en te verhuren. De vennootschap betaalt dan een vergoeding voor het gebruik van dat handelsfonds.
Het fiscale voordeel ligt voor de hand: deze inkomsten worden in principe belast als roerende inkomsten, wat doorgaans gunstiger is dan de belasting op beroepsinkomsten of een klassieke bezoldiging.
De fiscale administratie vermoedt vaak dat dergelijke structuren vooral worden opgezet om belastingen te drukken. Daarom probeert ze regelmatig om de inkomsten anders te kwalificeren, bijvoorbeeld als:
bezoldiging van een bedrijfsleider
beroepsinkomsten
In beide gevallen ligt de belastingdruk aanzienlijk hoger.
Maar zo’n herkwalificatie kan niet zomaar. De fiscus moet aantonen dat de juridische vorm niet overeenkomt met de realiteit, bijvoorbeeld dat er sprake is van simulatie of fiscaal misbruik.
In de concrete zaak verhuurde een ondernemer zijn handelszaak aan zijn eigen vennootschap en gaf hij de inkomsten aan als roerende inkomsten. De fiscus ging daar niet mee akkoord en herkwalificeerde deze inkomsten als bezoldiging van een bedrijfsleider. Dat leidde tot bijkomende aanslagen voor de inkomstenjaren 2017 en 2018.
De ondernemer vocht deze beslissing aan en kreeg zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gelijk.
Het arrest van 3 maart 2026 bevat een aantal belangrijke inzichten voor de praktijk.
1. Verhuur van een handelsfonds is op zich volledig legaal
Het Hof bevestigt dat deze constructie een geldige juridische techniek is. Er is niets dat ondernemers verbiedt om hun handelsfonds te verhuren aan hun eigen vennootschap.
2. De fiscus moet simulatie bewijzen
Een kernpunt in de uitspraak is dat de fiscus geen bewijs van simulatie kon leveren. Dat betekent dat hij niet kon aantonen dat de partijen eigenlijk iets anders bedoelden dan wat in de overeenkomst stond.
Zonder dat bewijs is een herkwalificatie niet mogelijk.
3. Het attractiebeginsel geldt niet automatisch
De fiscus beriep zich ook op het attractiebeginsel, waarbij inkomsten van bedrijfsleiders vaak automatisch als beroepsinkomsten worden beschouwd.
Het Hof nuanceert dit: dat principe geldt niet wanneer de ondernemer zijn activiteit heeft stopgezet en enkel nog optreedt als verhuurder van het handelsfonds.
4. Ook herkwalificatie naar beroepsinkomsten werd verworpen
Een alternatieve piste van de fiscus (de inkomsten beschouwen als beroepsinkomsten) hield evenmin stand. Opnieuw ontbrak het aan voldoende onderbouwing.
De uitspraak had duidelijke financiële gevolgen:
de bijkomende aanslagen werden vernietigd
de betaalde bedragen moeten worden teruggestort
de ondernemer krijgt moratoriuminteresten
Dit benadrukt dat een goed uitgewerkte structuur juridisch overeind kan blijven.
Het arrest bevestigt dat de verhuur van een handelsfonds aan je eigen vennootschap mogelijk is zonder automatisch fiscale problemen te veroorzaken.
Maar dat betekent niet dat elke constructie standhoudt. De concrete invulling is doorslaggevend. Wie deze piste wil volgen, moet rekening houden met een aantal belangrijke voorwaarden.
1. Een marktconforme huurprijs
De vergoeding moet realistisch zijn en aansluiten bij wat in de markt gebruikelijk is. Overdreven of kunstmatige prijzen zullen sneller in vraag worden gesteld.
2. Een duidelijke en schriftelijke overeenkomst
Zorg voor een degelijk contract waarin alle afspraken helder zijn vastgelegd. Denk aan:
de inhoud van het handelsfonds
de looptijd van de overeenkomst
de vergoeding
de verantwoordelijkheden van beide partijen
3. Effectieve stopzetting van de activiteit
Een cruciaal element uit het arrest is dat de verhuurder zijn oorspronkelijke activiteit moet stopzetten.
Blijf je dezelfde activiteit uitoefenen, dan riskeer je dat de fiscus de inkomsten toch als beroepsinkomsten beschouwt.
4. Een reële economische motivatie
De structuur moet meer zijn dan een fiscale optimalisatie. Ze moet ook economisch logisch en verdedigbaar zijn.
Nog niet helemaal. De Belgische Staat kan nog een cassatieberoep instellen, waardoor het Hof van Cassatie zich eventueel nog over deze kwestie kan uitspreken.
Tot er definitieve duidelijkheid is, blijft voorzichtigheid aangewezen.
Deze uitspraak bevestigt dat de fiscus niet zomaar aannames kan maken. Hij moet zijn standpunten onderbouwen met concrete bewijzen.
Voor ondernemers betekent dit dat er nog steeds ruimte is om hun inkomstenstructuur te optimaliseren, zolang dat correct gebeurt.
Het verhuren van een handelsfonds aan je eigen vennootschap kan een slimme en volledig legale manier zijn om je inkomsten anders te structureren. Het recente arrest van het Hof van Beroep in Antwerpen bevestigt dat de fiscus niet zomaar kan herkwalificeren zonder concreet bewijs van misbruik of simulatie. Tegelijk blijft het cruciaal om deze constructie correct op te zetten, goed te documenteren en economisch te verantwoorden. Alleen zo vermijd je discussies achteraf en sta je sterk bij een fiscale controle.
Een handelsfonds is het geheel van middelen waarmee je je zaak uitbaat. Dat omvat zowel materiële zaken zoals inrichting en voorraad, als immateriële elementen zoals klantenbestand, handelsnaam en reputatie.
Ja, dat is perfect legaal. Het Hof van Beroep Antwerpen bevestigde dat deze constructie op zich niet verboden is, zolang ze correct wordt opgezet en geen simulatie inhoudt.
In principe worden deze inkomsten belast als roerende inkomsten, wat vaak gunstiger is dan de belasting op beroepsinkomsten of een bedrijfsleidersbezoldiging.
De fiscus vermoedt dat dergelijke structuren soms worden gebruikt om belastingen te optimaliseren. Daarom probeert hij de inkomsten te herkwalificeren naar zwaarder belaste inkomsten, zoals bezoldigingen of beroepsinkomsten.
Alleen als de fiscus kan bewijzen dat de constructie niet overeenstemt met de werkelijkheid, bijvoorbeeld bij simulatie of wanneer de economische realiteit ontbreekt.
Het attractiebeginsel houdt in dat bepaalde inkomsten van een bedrijfsleider automatisch als beroepsinkomsten worden beschouwd. Volgens het Hof geldt dit niet wanneer je je activiteit hebt stopgezet en enkel nog verhuurt.
Ja, dat is een belangrijk element. Blijf je actief in dezelfde activiteit, dan riskeer je dat de fiscus de inkomsten toch als beroepsinkomsten beschouwt.
De huurprijs moet marktconform zijn. Dat betekent dat ze moet overeenkomen met wat een onafhankelijke derde partij in een gelijkaardige situatie zou betalen.
Het is niet alleen sterk aanbevolen, maar in de praktijk essentieel. Een duidelijke en correcte overeenkomst helpt om discussies met de fiscus te vermijden.
Niet helemaal. Hoewel het recente arrest positief is voor ondernemers, kan de Belgische Staat nog cassatieberoep aantekenen. Bovendien blijft elke situatie afhankelijk van de concrete feiten.
Meer weten over onze diensten?
We helpen je graag verder.
Schrijf je in op onze nieuwsbrief