Fiscaliteit
Sinds 1 januari 2026 geldt in België een meerwaardebelasting op financiële activa. Dat betekent dat ook de meerwaarde op aandelen van je vennootschap bij een latere verkoop belastbaar kan zijn. Heb je die aandelen al langer in bezit? Dan is vooral de waarde op 31 december 2025 belangrijk. Deze waarde bepaalt mee welk deel van een toekomstige verkoopprijs als nieuwe, belastbare meerwaarde wordt beschouwd. Ook als je vandaag helemaal geen verkoop plant, kan het daarom raadzaam zijn om de waarde van je aandelen tijdig te laten vastleggen. Zeker wanneer je rekening houdt met een mogelijke overdracht, schenking of erfenis.
De meerwaardebelasting is sinds 1 januari 2026 van toepassing op meerwaarden die particulieren realiseren op financiële activa binnen het normale beheer van hun privévermogen.
Het toepassingsgebied is ruim. Denk onder meer aan:
beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen;
obligaties;
beleggingsfondsen;
bepaalde verzekeringsproducten;
cryptoactiva;
en andere financiële activa.
Voor ondernemers en aandeelhouders van een vennootschap zijn vooral de regels rond niet-beursgenoteerde aandelen belangrijk. De belasting ontstaat in principe wanneer een financiële meerwaarde effectief wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld wanneer je aandelen verkoopt. Een loutere waardestijging van je onderneming wordt dus niet jaarlijks belast.
Ook een schenking of erfenis leidt op zich niet tot de toepassing van deze meerwaardebelasting. Maar dat betekent niet dat zo'n overdracht geen invloed kan hebben op de belasting die later verschuldigd is wanneer de aandelen uiteindelijk worden verkocht.
De fiscale behandeling hangt onder meer af van de omvang en aard van je participatie.
Voor een klassieke meerwaarde binnen het normale beheer van je privévermogen geldt in principe het algemene tarief van 10%, rekening houdend met de toepasselijke vrijstelling. Voor aandeelhouders die op het moment van de verkoop individueel minstens 20% van de aandelen bezitten, bestaat een afzonderlijk regime voor het zogenaamde aanmerkelijk belang.
Binnen dat regime is de eerste € 1 miljoen aan meerwaarden over een periode van vijf jaar onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld. Op het gedeelte daarboven zijn progressieve tarieven van toepassing. Daarnaast gelden nog afzonderlijke regels voor specifieke situaties, zoals bepaalde interne overdrachten aan een eigen holding (de zogenaamde interne meerwaarden).
Het is dus niet alleen de verkoopprijs die bepaalt hoeveel belasting je uiteindelijk betaalt. Ook wie verkoopt, hoeveel aandelen die persoon op dat moment bezit en wat de fiscale startwaarde van die aandelen is, spelen een belangrijke rol.
De nieuwe meerwaardebelasting wil in principe alleen de waardestijging belasten die vanaf 1 januari 2026 ontstaat.
Stel bijvoorbeeld dat je aandelen:
op 31 december 2025 € 500.000 waard zijn;
en je ze enkele jaren later verkoopt voor € 700.000.
Dan vormt in principe niet de volledige verkoopprijs van € 700.000 de meerwaarde. Het uitgangspunt is de waardestijging sinds de invoering van de belasting: in dit vereenvoudigde voorbeeld € 200.000. Daarom moet voor financiële activa die je al vóór 2026 bezat een fiscale startwaarde worden bepaald.
Voor beursgenoteerde effecten is dat relatief eenvoudig: daar kan worden teruggevallen op de beurskoers. Voor aandelen van een niet-beursgenoteerde vennootschap is er geen dagelijkse marktprijs. Net daarom wordt de waardebepaling belangrijk.
De wet voorziet verschillende mogelijkheden om de waarde van niet-beursgenoteerde aandelen op 31 december 2025 te bepalen.
Afhankelijk van de situatie kan onder meer rekening worden gehouden met:
een relevante transactie tussen onafhankelijke partijen in 2025;
een waarderingsformule die al contractueel was vastgelegd;
de forfaitaire fiscale formule op basis van het eigen vermogen verhoogd met viermaal de EBITDA;
of een afzonderlijke economische waardering door een onafhankelijke bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant.
Onder bepaalde voorwaarden kan voor verkopen tot en met 31 december 2030 ook een hogere, aantoonbare historische aanschaffingswaarde relevant zijn.
Een economische waardering is dus niet in iedere situatie verplicht. Ze kan wel interessant zijn wanneer de werkelijke economische waarde van de onderneming afwijkt van de waarde die uit de forfaitaire fiscale formule voortvloeit. Hoe beter de waarde op 31 december 2025 onderbouwd is, hoe meer duidelijkheid je later hebt over het gedeelte van een toekomstige meerwaarde dat daadwerkelijk belastbaar kan zijn.
Die begrippen worden gemakkelijk door elkaar gehaald.
De fiscale referentiewaarde is de waarde die voor de toepassing van de meerwaardebelasting als uitgangspunt wordt genomen voor je aandelen op 31 december 2025.
Een economische waardering is één van de mogelijkheden om die waarde te onderbouwen. Daarbij wordt uitgebreider gekeken naar de onderneming zelf: haar resultaten, vooruitzichten, activiteiten, risico's en andere elementen die haar economische waarde bepalen. Dat kan relevant zijn wanneer de standaardformule op basis van eigen vermogen en EBITDA volgens jou geen correcte weergave geeft van de werkelijke waarde van de onderneming.
Of een bijkomende economische waardering zinvol is, moet daarom dossier per dossier worden bekeken.
Net daar ontstaat bij veel ondernemers twijfel.
Wie bij de verkoop individueel minstens 20% van de aandelen bezit, kan onder het bijzondere regime voor een aanmerkelijk belang vallen. Daarbij geldt onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling op de eerste € 1 miljoen aan meerwaarden over een periode van vijf jaar.
Je zou daarom kunnen redeneren: “Mijn aandelen vallen toch onder dat gunstigere regime. Waarom zou ik vandaag kosten maken om ze te laten waarderen?”
Maar die redenering vertrekt alleen van je huidige aandeelhouderschap. De grens van 20% wordt namelijk beoordeeld per aandeelhouder en op het moment waarop de aandelen worden overgedragen. Je bezit vandaag misschien 25%, 50% of zelfs 100% van de aandelen. Dat betekent niet dat jij of je opvolgers bij een latere verkoop nog altijd minstens 20% zullen bezitten.
Neem een vennootschap met vier onafhankelijke aandeelhouders die elk 25% van de aandelen bezitten.
Vandaag heeft iedere aandeelhouder dus een aanmerkelijk belang. Eén van hen overlijdt en zijn participatie wordt gelijk verdeeld tussen twee kinderen. Elk kind krijgt daardoor 12,5% van de aandelen. De erfenis zelf veroorzaakt geen meerwaardebelasting. De kinderen verkopen op dat moment immers niets.
Maar stel dat zij enkele jaren later beslissen om hun aandelen te verkopen. Elk van hen bezit op dat moment individueel maar 12,5%. Daardoor halen zij de grens van 20% niet meer en kunnen zij in principe niet terugvallen op het bijzondere regime voor een aanmerkelijk belang.
Hun latere verkoop valt dan in principe onder het algemene regime, waarbij een tarief van 10% geldt, rekening houdend met de toepasselijke vrijstelling. Voor dezelfde aandelen kan de fiscale situatie dus sterk verschillen naargelang wie ze uiteindelijk verkoopt en hoe het aandeelhouderschap op dat moment verdeeld is.
Daar komt nog een belangrijk element bij. Je zou kunnen denken dat de waarde van de aandelen op het moment van het overlijden automatisch de nieuwe fiscale aanschaffingswaarde van de erfgenamen wordt.
Voor de toepassing van de meerwaardebelasting is dat in principe niet het geval. De fiscale historiek van de aandelen blijft relevant.
Bezat de oorspronkelijke aandeelhouder de aandelen al vóór 1 januari 2026? Dan kan de waarde op 31 december 2025 dus ook jaren later nog een rol spelen wanneer zijn of haar erfgenamen de aandelen verkopen. Een waardering vandaag kan daardoor niet alleen belangrijk zijn voor jouw eigen toekomstige belastingpositie, maar ook voor die van de volgende generatie.
Een erfenis is een duidelijk voorbeeld, maar zeker niet het enige scenario waarin je aandeelhouderschap kan veranderen.
Denk bijvoorbeeld ook aan:
een schenking van aandelen aan kinderen;
een familiale opvolging;
de toetreding van een nieuwe aandeelhouder;
een kapitaalverhoging waardoor je participatie verwatert;
een gedeeltelijke verkoop van je aandelen;
een herschikking van het aandeelhouderschap;
of een latere volledige verkoop van de onderneming.
Daardoor kan iemand die vandaag ruim boven de grens van 20% zit, op een later moment toch onder die drempel terechtkomen.
Een waardering hoeft daarom niet alleen bekeken te worden als voorbereiding op een verkoop die volgend jaar gepland staat.
Ze kan ook deel uitmaken van een bredere voorbereiding op:
een toekomstige overdracht van de onderneming;
familiale successie;
een schenking of erfenis;
een wijziging in de aandeelhoudersstructuur;
of een verkoop die vandaag nog helemaal niet aan de orde is.
Niemand weet met zekerheid hoe een onderneming en haar aandeelhouderschap de komende jaren zullen evolueren.
Net daarom kan het nuttig zijn om vandaag al bewijs vast te leggen over de waarde van je onderneming op 31 december 2025.
Geen economische waardering laten uitvoeren betekent niet dat je aandelen plots geen fiscale referentiewaarde hebben.
Zoals hierboven toegelicht, voorziet de wet verschillende waarderingsmethodes. Wanneer geen afzonderlijke economische waardering beschikbaar is, kan afhankelijk van de concrete situatie bijvoorbeeld worden teruggevallen op een relevante transactie, een contractuele waarderingsformule of de forfaitaire methode op basis van het eigen vermogen verhoogd met viermaal de EBITDA.
Het verschil zit dus niet tussen wel of geen waarde, maar tussen de verschillende manieren waarop die waarde kan worden bepaald.
Een economische waardering kan interessanter zijn wanneer ze de waarde van de onderneming beter weerspiegelt dan de forfaitaire methode. Dat is uiteraard alleen nuttig wanneer het mogelijke fiscale voordeel opweegt tegen de kostprijs van zo'n waardering. Ook dat maakt een voorafgaande analyse belangrijk.
Misschien plan je vandaag geen verkoop. Misschien gebeurt die pas binnen vijf, tien of twintig jaar. De relevante historische datum verandert daardoor niet: voor aandelen die je al vóór de invoering van de meerwaardebelasting bezat, blijft 31 december 2025 het centrale ijkpunt.
Wie voor een onafhankelijke economische waardering kiest, moet bovendien rekening houden met de wettelijke timing. Een dergelijke waardering van niet-beursgenoteerde aandelen moet uiterlijk tegen 31 december 2027 worden opgesteld. Daarom is het verstandig om niet te wachten tot er plots een concrete verkoop, schenking of successie voor de deur staat.
De invoering van de meerwaardebelasting maakt de waarde van niet-beursgenoteerde aandelen op 31 december 2025 een belangrijk fiscaal gegeven. Ook wie vandaag minstens 20% van zijn vennootschap bezit en daardoor onder het bijzondere regime voor een aanmerkelijk belang kan vallen, doet er goed aan om verder te kijken dan het huidige aandeelhouderschap.
Een overlijden, schenking, verwatering of andere wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan ervoor zorgen dat jij of je opvolgers later fiscaal in een heel andere situatie terechtkomen.
De experts van PIA Group kunnen samen met jou bekijken welke fiscale referentiewaarde op jouw aandelen van toepassing is, of een economische waardering aangewezen is en welke stappen je best tijdig neemt.
Wil je weten wat de meerwaardebelasting en de waardering op 31 december 2025 concreet betekenen voor jouw aandelen? Neem contact op met je vertrouwde PIA-adviseur.
Meer weten over onze diensten?
We helpen je graag verder.
Schrijf je in op onze nieuwsbrief